Interview met Johan Cruijff – The making off

De reden waarom ik halfweg vorige week in Amsterdam was, luistert naar de naam Johan Cruijff, de meest tot de verbeelding sprekende mens die ik ooit gesproken heb. Toen ik de afspraak te pakken had met de grootste Europese voetballer aller tijden, kon mijn geluk niet op. Meteen heb ik mijn gsm genomen en een aantal mensen een bericht gestuurd dat ik op de koffie mocht bij Johan Cruijff. Ook nadien liep ik nog tegen iedereen te roepen: ‘Ik mag Johan Cruijff interviewen! Ik mag Johan Cruijff intervienwen!’ Onder veel journalisten heeft Cruijff een soort mythische proporties, omdat hij nauwelijks te interviewen valt. Als hij wereldwijd nog twee interviews per jaar geeft, dan is dat veel. Ik heb dan ook geen vraag zoveel gehoord als: ‘Hoe heb je dat geflikt?’ Daarom dat ik dat hier even wil uitleggen, omdat daar in de krant geen plaats voor is.
Ik herinner me nog perfect hoe ik op het idee kwam. Toen ik de voorbije zomer voor mijn column ‘De Thuisblijver’ elke week ergens anders in het land woonde, zat ik op een ochtend te ontbijten in Café St.-Hubert in Schaarbeek, waar ik De Morgen en Le Soir las. Er was toen net commotie losgebroken rond de kandidatuur van België en Nederland voor het WK van 2018. Politici als Bert Anciaux en Jean-Marie Dedecker vonden het niet kunnen dat de FIFA in ons land geen belastingen zou betalen als ze het WK hier kwamen organiseren. In Le Soir stond toen een foto van Paul Van Himst, Ruud Gullit en Johan Cruijff, alle drie op een fiets in Zürich, waar ze de kandidatuur waren gaan verdedigen bij de FIFA. Blijkbaar moet die foto in april in alle kranten hebben gestaan, maar ik had hem nooit eerder gezien, omdat ik toen ergens in Australië aan het frisbeeën was. Toen ik hem wel zag, dacht ik: ‘Als Cruijff die kandidatuur in Zürich wil gaan verdedigen, dan wil hij dat misschien ook wel eens in een Vlaamse krant doen.’ Onmogelijk, zo denk je dan. Maar van journalist en uitgever Paul Keysers, die ooit mijn hoofdredacteur bij Menzo was, heb ik het über-cliché voor elke journalist geleerd, dat zo vaak blijkt te kloppen: ‘Een neen heb je al, een ja kan je krijgen.’
Als je dat soort mensen wil interviewen, dan moet je, zo heb ik ondertussen wel geleerd, met een duidelijk thema afkomen. Je moet hen kunnen uitleggen waarover je met hen wilt praten, en waarom je dat wil doen. Probleem was: bij wie moest ik zijn om hem die vraag te kunnen voorleggen? Ik heb toen gemaild naar een voetbaljournalist van De Volkskrant, met de vraag: ‘Hoe kan ik Johan Cruijff interviewen?’ Hij antwoordde: ‘Niet. Johan Cruijff heeft geen interviews. Maar als je het toch wil proberen, doe het dan via de Johan Cruyff Foundation.’
Die Foundation is een fonds waarmee hij sportdagen voor kinderen met een handicap organiseert en overal ter wereld voetbalveldjes in moeilijke stadswijken aanlegt. Op de website van die Foundation vond ik een algemeen mailadres voor vragen voor de pers. Daar heb ik mijn vraag naartoe gestuurd. Weken kreeg ik geen antwoord. Dus heb ik nog eens mijn vraag gestuurd. Plots kreeg ik van de press officer van de Cruijff Foundation een mail terug, met de vraag of het interview, als de heer Cruijff het zou willen doen, dan ook telefonisch mocht. Weer weken niets meer. Tot uiteindelijk een mail dat de heer Cruijff een week later in Amsterdam zou zijn, in het kantoor van de Cruijff Foundation, en dat hij dan eventueel een telefonisch interview daarover kon doen. De week erop niets meer gehoord. De week daarop kreeg ik een telefoon van die persoon. Hij zei me dat de heer Cruijff een week later in Amsterdam zou zijn en dat hij een interview kon geven, ongeveer een halfuur. Hij veronderstelde dat we het telefonisch zouden doen, maar ik zei: ‘Zelfs voor een halfuur praten met Johan Cruijff kom ik naar Amsterdam.’ Van toen af was ik de koning te rijk, maar ik zei tegen iedereen: ‘Ik zal pas geloven dat ik hem geïnterviewd heb als ik ook voor hem zit en de bandrecorder draait.’ De avond voor het interview gebeurde wat niet mocht gebeuren. Telefoon. Dat het gesprek de volgende dag niet kon doorgaan. Want de agenda was te druk. Maar ook goed nieuws: het kon een dag later. Een halfuur. En zo gebeurde het dat ik op woensdagochtend om tien uur voor Johan Cruijff zat, voor een kort maar razend interessant gesprek (althans, dat is mijn mening) over de WK-kandidatuur, de Belgische politiek en het Belgische voetbal. Een halfuur lijkt niet lang, maar bij Cruijff is dat al heel veel. Je hoeft niet op te warmen, je hoeft niet te vragen hoe het gaat met vrouw en kinderen. Je kan meteen to the point komen, en hij antwoordt meteen met fantastische zinnen, die allemaal zo waar lijken. Tijdens het uitschrijven heb ik nog minstens één derde van het gesprek moeten weglaten, wegens geen plaats meer in de krant.
Nadien is me vaak ook gevraagd hoe hij was. Wel, bijzonder aangenaam en vriendelijk. Hij gaf me een hand, ging zitten en begon met een glimlach te antwoorden. Ik had het gevoel dat hij het fijn vond om eens over België te kunnen zeggen wat hij wilde zeggen. Maar na een halfuur was het ook wel degelijk gedaan. Toen keek hij op zijn horloge en zei hij dat hij moest vertrekken. Hij gaf nog een hand, nam nog even de tijd om te poseren voor Roger Dohmen, de fantastische en vriendelijke Nederlandse fotograaf die uit Den Haag was gekomen om foto’s te nemen (waaronder deze van hierboven), en hup, weg was hij.
Het interview is gisteren verschenen, in de krant van zaterdag. Hopelijk vond u het fijn.

Gezocht: Lekkere Mexicaan


Het gebeurt niet snel dat ik op zaterdagochtend mijn stapel kranten aan de kant leg, mijn Macbook neem en een stukje op mijn blog schrijf. Maar ik ben net aanbeland aan één van de vele ‘Waar eet?’-stukjes, u weet wel, die kleine lifestyle-artikeltjes waarin ze grote, kleine en halve BV’s laten vertellen waar ze graag eten. De jongste maanden staat tussen al die adressen nu ook altijd steevast één buitenlands adres, ongetwijfeld omdat de chef van het magazine aan de journalist(e) in kwestie de opdracht heeft gegeven om daar zeker naar te vragen. En terwijl ik er net weer zo één las, vroeg ik me af wat ik in dat geval zou antwoorden.
Plots dacht ik aan Seaside, het Mexicaanse restaurant in Legian in Bali, waar we tijdens onze grote reis zeker drie keer zijn gaan eten. Helemaal verslingerd was ik aan de quesadila’s, tostada’s en enchillada’s van dat grote restaurant, dat onder een plafond schuilt, maar eigenlijk open is, alsof het een soort plein is naast de straat die langs één van de beroemdste stranden ter wereld loopt en waar je eindeloos kan blijven kijken naar hoe de zon ondergaat, terwijl je geniet van zo’n quesadila en een frisse Bintang.
Eén van de ironische aspecten van onze reis was dat we drie maanden naar Azië zijn geweest om daar te leren genieten van de Mexicaanse keuken. Regelmatig zijn we in een Mexicaans restaurant beland als we geen zin hadden in weer noedels, of weer rijst. Al snel valt op dat die Mexicanen niet moeten onderdoen voor de Italianen, en dat ze net als dat volk de hele wereld zijn uitgevlogen, om iedereen te bekeren tot hun keuken.
Ik mis die Mexicaanse keuken, en ik heb in eigen land nog geen restaurant gevonden waar ik nog eens zo’n heerlijke tostada kan eten. Terwijl ze ongetwijfeld moeten bestaan. In Gent heb je Pablo’s, zo’n beetje een instituut in de stad, maar ten eerste zijn ze dat aan het verbouwen en ten tweede vind ik dat maar half Mexicaans en niet echt heel erg lekker. Je hebt in mijn thuisstad nog een Mexicaan, waarvan ik de naam niet weet en waar ik nog nooit geweest ben, iets wat ik eens moet proberen. Maar ongetwijfeld moeten in Gent, maar zeker in Antwerpen en Brussel nog uitstekende Mexicaanse restaurants te vinden zijn. Wie wijst me de weg naar Acapulco?

City Trippin’: Chez Prune


Vorige week was ik met fotograaf Tim Dirven op stap in Parijs, voor een interview met acteur Johan Leysen. Die man heeft een indrukwekkende theater- en filmcarrière, maar is in Vlaanderen zo goed als onbekend. Nu speelt hij aan de zijde van George Clooney in The American. Dat is na Control de tweede film van de Nederlandse fotograaf Anton Corbijn, en ik kan niet wachten om hem te zien. Met Leysen had ik een bijzonder warm en interessant gesprek over ‘het werk, de liefde en het leven’, de drie redenen die hem naar eigen zeggen naar Parijs geleid hebben.
Het gesprek vond plaats aan de Quai de la Seine, een buurt waar ik nooit eerder geweest was. Het bevindt zich in het noordoosten van Parijs en bestaat uit prachtig gerenoveerde dokken. In de loodsen die aan beide zijden van het water lagen zat één bioscoop, met daarin leuke cafés. Koop je aan de ene kant een ticketje voor een film aan de andere kant, dan brengt een bootje je naar de overkant.
Het gesprek en de foto’s, die zaterdag in Zeno in De Morgen verschijnen, zaten erop tegen rond halféén, en we vroegen aan mijnheer Leysen waar we nog iets konden gaan eten en hoe we het best de twee uur die ons nog in de Franse hoofdstad restte konden spenderen (als ik op mijn lange reis één iets geleerd heb, dan wel: always trust the locals). Hij vertelde ons dat we langs het water tot aan de Place de la Republique konden wandelen, en dat we dan op een bepaald moment aan onze rechterzijde veel leuke bistro’s zouden tegenkomen, waaronder Chez Prune, waar we iets moesten eten.
Zo gezegd zo gedaan. Chez Prune is inderdaad een leuk adres. De ober, die wellicht door had dat we des petits Belges waren en ons de hele tijd met een grijns te woord stond, gaf ons een kaart waarop maar vijf gerechten stonden. Altijd een goed teken, want dan weet je dat het eten niet uit de diepvries de microgolf in gaat. Ik at lekkere zalm met puree, en Tim koos voor iets Vietnamees. En ondertussen genoten we van de typisch Parijse sfeer, met de typisch Parijse (mooie) vrouwen en de typisch Parijse (hippe) jongens rond ons. Als je nog eens in de stad bent, Chez Prune vind je in 36, Rue Beaurepaire – Quai Valmy. Santé!

City Trippin’: Café de Pels

Gisteren had ik in Amsterdam een interview dat ik nooit meer zal vergeten (en waarover morgen hopelijk meer). Na afloop ben ik nog snel even de stad ingereden, recht naar De 9 Straatjes. Dat is mijn favoriete buurt in één van mijn favoriete steden, waar je geen coffee- of seksshops vindt, maar wel tientallen leuke kleding- en boekenwinkels, restaurantjes, bakkerijen en koffiebars. Omdat het er al druk genoeg is, vertel ik niet waar het ligt (zoek het zelf maar uit), maar het is altijd heerlijk om er in rond te lopen. Gisteren was ik er pal op de middag, op zoek naar iets om te eten. Plots passeerde ik een café waarop heel klein stickers met de logo’s van een achttal kranten hingen. Alle Nederlandse, en daarnaast nog Le Monde, de Financial Times, de International Herald Tribune, de Süddeutsche Zeitung  en, jawel, De Morgen, als enige Belgische krant. Een mooie selctie, dus. Binnen bleek ook nog een wand voorbehouden voor tijdschriften. Daarin zat Vrij Nederland, Der Spiegel, The Economist en, jawel, Humo, als enig Belgisch tijdschrift. Wat me pas halverwege het lezen van mijn krant opviel, toen ik al bezig was met het prachtige stukje van Yves Desmet over ‘Het Verdriet van de Mediawatcher’, de verzamelde columns van Marc Didden, was dat er geen muziek speelde. Rond me in het bruine café zat iedereen te lezen, en hier en daar hadden twee mensen een fijn gesprek. Nadat mijn broodje makreel en cappucino, achteraf gezien niet echt een uitstekende combinatie, achterover waren geslagen en ik aan de bar ging afrekenen, vroeg ik aan de jongen achter de contoire of hij geen kaartje had van Café De Pels, zoals het etablissement heette. ‘Ja hoor’, zei hij, en nam een bierkaartje van Jupiler, het bier dat daar getapt wordt (nog een reden om te gaan!), en een stempel, die hij daarop kwakte. Op de stempel stond naast Café De Pels en een hond: ‘Diverse consumpties plus goed gesprek.’

Meer moet dat niet zijn, quoi.

Copy/paste

Eerst was er dit stuk uit De Morgen:

Wat nog niets met de overig uitstekende film (jaja, ik heb hem al gezien) The Social Network te maken had, maar gewoon een geniaal idee was, dat perfect is uitgevoerd, en nu een hilarische wekelijkse rubriek is geworden. En wij hadden het ook al gepikt van de RTBf, maar waren dan nog zo eerlijk om dat toe te geven.
Daarna kwam Humo met deze cover:
Wat natuurlijk niet meer echt bijster origineel was, maar het idee sloot wel naadloos aan bij het onderwerp van het coververhaal, wat een straf stuk was. Dus tot daar kan ik nog volgen.
Daarna kwam Focus Knack met deze cover, waarvan ik spijtig genoeg geen afbeelding in hogere resolutie vind:
Euh, creativiteit iemand?
En vandaag dropt tv-zender Acht dit persbericht in mijn mailbox:
Ik vind dit niet meer leuk.