A Close Look at De Morgens iPad App

It’s on, baby! Zonder al te veel tam tam hebben we vorige week de allereerste iPad App van De Morgen gelanceerd, volgens mij een legendarisch nieuw hoofdstuk in de geschiedenis van onze krant. Veel meer nog dan de lancering van de website, ik weet niet meer hoeveel jaar geleden. Want volgend jaar viert het internet zijn twintigste verjaardag, maar ondanks alle apocalyps-berichten heeft dat medium kranten niet laten uitsterven. Dat medium, ja, want zo zie ik het ook: internet is enerzijds een nieuw distributiekanaal, anderzijds een nieuw medium. Het nieuws lezen op een website, is iets helemaal anders dan een krant lezen. Online kies je veel meer zelf wat je leest, lees je vooral koppen en drie bijhorende zinnen en kom je in no time ergens anders terecht. In een krant kiest de redactie veel meer de volgorde van wat je leest, neem je veel meer je tijd om dieper op de actualiteit in te gaan en is je concentratie niet zo snel ergens anders naartoe.
Maar de krant lezen op de iPad is wél nog altijd de krant lezen. Je leest het gewoon op een andere drager, via een ander distributiekanaal, dat veel meer interactieve mogelijkheden heeft. Het is hetzelfde als radio luisteren via de FM-band of via het internet. Gebruik je die laatste drager, dan heb je geen ruis, kan je makkelijker switchen van kanaal en kan je programma’s herbeluisteren. Maar in de auto is het vooralsnog handiger via de FM-band, zoals een krant lezen op het strand vooralsnog handiger is op papier dan op een iPad, waarmee je dan weer veel meer mogelijkheden hebt. Enfin, veel meer dan op de site heb je op die iPad het gevoel dat je De Morgen leest, een krant die in mijn ogen staat voor kwaliteit, lef en af en toe wat humor. Veel lees- en scroll-plezier!
By the way, het filmpje is met weinig budget maar drie keer zoveel liefde gemaakt door Kenson, bekend als @thisiskenson op Twitter en van de geweldige blog cntrl.be. Bij deze citeer ik graag zijn motto: Spread it Like a WikiLeak.

De beste voetbalcolumnist schrijft voor De Morgen

Als ik een paar dagen vakantie had genomen, een vliegtuig had geboekt en naar mijn maat Yvan, die in Barcelona woont, was gevlogen, dan had ik maandagavond de wedstrijd live kunnen zien die zal geboekstaafd staan als de beste van de voorbije twintig jaar. Damn. Gelukkig is er nog Filip Joos, die vandaag in onze krant een heerlijke column heeft gepubliceerd over het hemelse voetbal waarmee Barcelona de grote vijand vermorzeld heeft. Zo magisch als Messi de bal over het gras kan laten rollen, zo magisch kan Joos gedachten en woorden tot een prachtig stukje literatuur laten versmelten. Je vindt de column nergens gratis online. Je moet ervoor buiten komen, door de vrieskou, en een euro op de toonbank van de krantenwinkel leggen. En dat is maar goed ook, want enkel dit stukje is die prijs al waard. Vergeet Jan Mulder. De beste voetbalcolumnist van het ogenblik schrijft voor De Morgen.

Interview met Johan Cruijff – The making off

De reden waarom ik halfweg vorige week in Amsterdam was, luistert naar de naam Johan Cruijff, de meest tot de verbeelding sprekende mens die ik ooit gesproken heb. Toen ik de afspraak te pakken had met de grootste Europese voetballer aller tijden, kon mijn geluk niet op. Meteen heb ik mijn gsm genomen en een aantal mensen een bericht gestuurd dat ik op de koffie mocht bij Johan Cruijff. Ook nadien liep ik nog tegen iedereen te roepen: ‘Ik mag Johan Cruijff interviewen! Ik mag Johan Cruijff intervienwen!’ Onder veel journalisten heeft Cruijff een soort mythische proporties, omdat hij nauwelijks te interviewen valt. Als hij wereldwijd nog twee interviews per jaar geeft, dan is dat veel. Ik heb dan ook geen vraag zoveel gehoord als: ‘Hoe heb je dat geflikt?’ Daarom dat ik dat hier even wil uitleggen, omdat daar in de krant geen plaats voor is.
Ik herinner me nog perfect hoe ik op het idee kwam. Toen ik de voorbije zomer voor mijn column ‘De Thuisblijver’ elke week ergens anders in het land woonde, zat ik op een ochtend te ontbijten in Café St.-Hubert in Schaarbeek, waar ik De Morgen en Le Soir las. Er was toen net commotie losgebroken rond de kandidatuur van België en Nederland voor het WK van 2018. Politici als Bert Anciaux en Jean-Marie Dedecker vonden het niet kunnen dat de FIFA in ons land geen belastingen zou betalen als ze het WK hier kwamen organiseren. In Le Soir stond toen een foto van Paul Van Himst, Ruud Gullit en Johan Cruijff, alle drie op een fiets in Zürich, waar ze de kandidatuur waren gaan verdedigen bij de FIFA. Blijkbaar moet die foto in april in alle kranten hebben gestaan, maar ik had hem nooit eerder gezien, omdat ik toen ergens in Australië aan het frisbeeën was. Toen ik hem wel zag, dacht ik: ‘Als Cruijff die kandidatuur in Zürich wil gaan verdedigen, dan wil hij dat misschien ook wel eens in een Vlaamse krant doen.’ Onmogelijk, zo denk je dan. Maar van journalist en uitgever Paul Keysers, die ooit mijn hoofdredacteur bij Menzo was, heb ik het über-cliché voor elke journalist geleerd, dat zo vaak blijkt te kloppen: ‘Een neen heb je al, een ja kan je krijgen.’
Als je dat soort mensen wil interviewen, dan moet je, zo heb ik ondertussen wel geleerd, met een duidelijk thema afkomen. Je moet hen kunnen uitleggen waarover je met hen wilt praten, en waarom je dat wil doen. Probleem was: bij wie moest ik zijn om hem die vraag te kunnen voorleggen? Ik heb toen gemaild naar een voetbaljournalist van De Volkskrant, met de vraag: ‘Hoe kan ik Johan Cruijff interviewen?’ Hij antwoordde: ‘Niet. Johan Cruijff heeft geen interviews. Maar als je het toch wil proberen, doe het dan via de Johan Cruyff Foundation.’
Die Foundation is een fonds waarmee hij sportdagen voor kinderen met een handicap organiseert en overal ter wereld voetbalveldjes in moeilijke stadswijken aanlegt. Op de website van die Foundation vond ik een algemeen mailadres voor vragen voor de pers. Daar heb ik mijn vraag naartoe gestuurd. Weken kreeg ik geen antwoord. Dus heb ik nog eens mijn vraag gestuurd. Plots kreeg ik van de press officer van de Cruijff Foundation een mail terug, met de vraag of het interview, als de heer Cruijff het zou willen doen, dan ook telefonisch mocht. Weer weken niets meer. Tot uiteindelijk een mail dat de heer Cruijff een week later in Amsterdam zou zijn, in het kantoor van de Cruijff Foundation, en dat hij dan eventueel een telefonisch interview daarover kon doen. De week erop niets meer gehoord. De week daarop kreeg ik een telefoon van die persoon. Hij zei me dat de heer Cruijff een week later in Amsterdam zou zijn en dat hij een interview kon geven, ongeveer een halfuur. Hij veronderstelde dat we het telefonisch zouden doen, maar ik zei: ‘Zelfs voor een halfuur praten met Johan Cruijff kom ik naar Amsterdam.’ Van toen af was ik de koning te rijk, maar ik zei tegen iedereen: ‘Ik zal pas geloven dat ik hem geïnterviewd heb als ik ook voor hem zit en de bandrecorder draait.’ De avond voor het interview gebeurde wat niet mocht gebeuren. Telefoon. Dat het gesprek de volgende dag niet kon doorgaan. Want de agenda was te druk. Maar ook goed nieuws: het kon een dag later. Een halfuur. En zo gebeurde het dat ik op woensdagochtend om tien uur voor Johan Cruijff zat, voor een kort maar razend interessant gesprek (althans, dat is mijn mening) over de WK-kandidatuur, de Belgische politiek en het Belgische voetbal. Een halfuur lijkt niet lang, maar bij Cruijff is dat al heel veel. Je hoeft niet op te warmen, je hoeft niet te vragen hoe het gaat met vrouw en kinderen. Je kan meteen to the point komen, en hij antwoordt meteen met fantastische zinnen, die allemaal zo waar lijken. Tijdens het uitschrijven heb ik nog minstens één derde van het gesprek moeten weglaten, wegens geen plaats meer in de krant.
Nadien is me vaak ook gevraagd hoe hij was. Wel, bijzonder aangenaam en vriendelijk. Hij gaf me een hand, ging zitten en begon met een glimlach te antwoorden. Ik had het gevoel dat hij het fijn vond om eens over België te kunnen zeggen wat hij wilde zeggen. Maar na een halfuur was het ook wel degelijk gedaan. Toen keek hij op zijn horloge en zei hij dat hij moest vertrekken. Hij gaf nog een hand, nam nog even de tijd om te poseren voor Roger Dohmen, de fantastische en vriendelijke Nederlandse fotograaf die uit Den Haag was gekomen om foto’s te nemen (waaronder deze van hierboven), en hup, weg was hij.
Het interview is gisteren verschenen, in de krant van zaterdag. Hopelijk vond u het fijn.

Artikels over reality-tv: been there, done that

Ik doe het niet graag, maar mag ik voor één keer even opscheppen met mezelf? Naar aanleiding van de zelfmoord van de Mijn Restaurant-kandidaat lees ik plots overal artikels over hoe reality-tv van alles manipuleert. Vandaag opnieuw een stuk in P Magazine, dat ik nog niet heb gelezen. Zaterdag stond er ook al één in Het Laatste Nieuws. Dat artikel was een klakkeloze kopie van wat mijn toenmalige collega Tom De Leur en ik bijna vier jaar geleden al geschreven hebben in Het Nieuwsblad. Copy, paste en hup, naar de drukkerij. Mag de lat wat hoger, alstublieft? Reality-tv heeft de voorbije vier jaar geboomd. Mijn Restaurant bestond nog niet toen wij dat stuk schreven. Het genre op zich is geëvolueerd, en volgens mij ook een stuk geprofessionaliseerd, met alle positieve en negatieve gevolgen van dien. Dat vraagt een nieuwe aanpak als je dat als journalist behandelt, in plaats van nog maar eens dezelfde mensen te laten getuigen die jaren geleden negatieve ervaringen hebben meegemaakt in programma’s als Stanley’s Route of Toast Kannibaal. Je moet kijken naar wat er vandaag gebeurt bij een programma als Mijn Restaurant. De omkadering en psychologische begeleiding is volgens mij beter dan destijds, maar de druk voor de kandidaten is ook een pak groter geworden. Dat programma haalt meer dan een miljoen kijkers. Dat betekent dat meer dan één op vijf Vlamingen je herkent (en vaak ook aanspreekt) op straat. 
Ik herinner me nog dat Tom en ik destijds één of andere journalistieke prijs met dat artikel hebben gewonnen. De prijs was een bureaulamp, die Tom is gaan ophalen. Werkt ze nog, Tom?